gedachtenspinsels

Laatste

Eerlijk gezegd

Sommige mensen hebben het woord hypocriet voor in de mond liggen, als om de sfeer of een situatie te redden met een eerlijk gezicht een onwaarheid wordt verkondigd. Natuurlijk, zij hebben gelijk, maar heeft hier niet iedereen schoonheidsfoutjes, immers, wie is vrij van onwaarheden? Die zegt nooit hypocriet te zijn, kan rustig een hypocriet genoemd worden. Toch, de eigenschap wordt alom niet als positief gewaardeerd.

Wie heeft geen onhebbelijkheden? Ik ken ze niet, ik bedoel die mensen dan, al had ik vroeger de indruk dat veel volwassenen vrij waren van dergelijke tekortkomingen. Vaak is mij in het oor gefluisterd: “Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaald hem wel.” Iemand, die zoiets veelbetekenend tegen je zei, zou zich toch niet aan oneerlijk gedrag wagen? Maar bij het opgroeien kwamen er toch barstjes in dat beeld en nu ik zelf al lang kind af ben weet ik dat juist de volwassene heeft geleerd regelmatig te veinzen.

Maar is altijd eerlijk zijn wel zo’n goed idee? Ik ken mensen die beweren het te zijn en dus de meest kwetsende dingen uitkramen. Ik wens dan dat zij maar eens wat minder aan hun eerlijkheid zouden hechten. Lieg er eens luchtig op los lomperik, heb ik wel eens in stilte gezucht, terwijl ik mijn gezicht in de plooi hield, want het is vrij zinloos daarover met zo iemand een discussie aan te gaan. Het is de toon die de muziek maakt en als je die niet weet te vinden, kun je beter je mond houden is mijn ervaring. Liegen is het smeermiddel van de maatschappij, hoorde ik eens. Dat is mooi gezegd, want zonder dat smeermiddel loopt de motor vast.

Toch, een eerlijke mening van iemand die het goed bedoeld wordt meestal wel op prijs gesteld. Als iedereen maar loopt te veinzen, weet je op een gegeven moment ook niet meer waar je aan toe bent, maar goed die toon dus, die de muziek maakt, ik probeer hem steeds te vinden, zodat het smeermiddel liegen niet klakkeloos wordt gebruikt.

Laat ik er niet om liegen: ik spreek niet altijd de waarheid en nu lieg ik maar dat is niet waar, eerlijk gezegd.

Lef

Een klas kreeg eens als eindexamenopdracht Nederlands een verhandeling te schrijven met als titel: “Wat is lef?” Volgens de overlevering was er een student, die als enige op het verder blanco vel schreef: “Dit.” Hij kreeg een acht. Ik vind het een mooi, zij het sterk verhaal, immers, zijn kwaliteiten in verband met het beheersen van de Nederlandse taal werden hier niet duidelijk, maar goed, lef is het wel.

Lef is met name een predicaat, dat vooral aan mannen wordt toegedicht. Het is een eigenschap, die verwant is aan moed, een oerinstinct, nodig om rivalen te bestrijden of het nest te verdedigen. Toch heeft lef een andere sfeer. Moed voelt dieper en ernstiger, terwijl lef ook iets heeft van bluf en het ligt volgens mij dichter bij het oudhollandse woord “stoutmoedig”, wat een jongensachtige bijklank heeft. Lef kan het manifesteren van een soort zinloze moed zijn, zoals bij jongens die zich al stampend op dun ijs wagen, een tamelijk stompzinnige daad waarmee ik me in mijn jeugdjaren graag bezighield, maar goed, het was spannend en daar ben je dan jong voor. Als gefaald wordt na het tonen van moed, verdient men meestal nog steeds respect. Faal je echter na het tonen van lef, dan krijg  je nog wel eens te horen: “eigen schuld, dikke bult” en kan men lacherig doen. Toch hebben mensen met lef mijn bewondering, temeer, omdat het mijne door de jaren heen wat is zoekgeraakt, maar dat krijg je ervan als je je te vaak op dun ijs begeeft. Ik heb geleerd liever te wachten op een paar dagen stevige vorst.

Ik wil de lefgozer niet onbesproken laten. Deze deels hilarische, maar toch ook vaak irritante figuur treedt graag op de voorgrond met blufferig gedrag; een eigenschap die hij van zichzelf kennelijk niet zo ziet op dat moment. Hij valt echter als nepper door de mand. Ik schrijf dit met enige schroom, aangezien ik, terugkijkend op mijn leven,  mij hieraan wel eens bezondigd heb, maar die zonder zonden is werpe de eerste steen.

“Lef  is een scheet laten, als je diarree hebt.”  zag ik eens op een wc-deur geschreven staan. Het is nu wel duidelijk, genoeg hierover.

 

Eenoog

Zoals waarschijnlijk iedereen wel zal weten, is in het land der blinden eenoog koning, een titel die je meestal wat geringschattend krijgt aangemeten, aangezien je kwaliteiten in dat geval worden gezien tegenover hen, die minder of helemaal niets kunnen. Ik denk dat veel mensen een groot deel van hun eigenwaarde meten aan dat, wat ze menen voor te stellen ten opzichte van anderen, hetzij door kennis, hetzij door vaardigheden, bezit of misschien gewoon door anderen te helpen.

Iemand die een minimum inkomen heeft, wordt in Nederland krap bij kas genoemd, dat zal ieder beamen. Vergelijk je dat echter met een persoon die in een tentje in het vluchtelingenkamp vertoeft, hongerig en beroofd van al zijn bezittingen, dan ziet diezelfde Nederlander er opeens veel vermogender uit. Of deze: je bent gezond en kunt lichamelijk goed uit de voeten, maar stel dat iedereen nu eens vleugels zou hebben en kunnen vliegen, alleen jij niet. Opeens voel je je lichamelijk gehandicapt. In beide voornoemde gevallen is er niets aan je eigen situatie veranderd, alleen de omgevingsfactoren hebben er invloed op gehad hoe je je voelt. Ik ken iemand die het fijn vindt om naar problemen van anderen te luisteren. Hoe groter de problemen, hoe meer ze daarvan opfleurt, omdat daarbij haar eigen toestand niet zo erg meer lijkt.

Wat zorgt er eigenlijk voor, dat we ons vaak beter voelen, naarmate de ander in een mindere situatie verkeerd? Heeft het te maken met de wedren van het leven, het bewuste of onbewuste gevoel dat de sterkste overleeft, vaak ten koste van de zwakkere? Maar hoe relatief is het toch, te denken meer of minder dan een ander te zijn? We komen met niets en uiteindelijk gaan we ook weer met niets, alleen die heksenketel die leven heet doet ons van tijd tot tijd iets verbeelden; een verbeelding die we zonder onze medemensen niet konden hebben, immers, er zou dan geen vergelijkingsmateriaal zijn.

Ik heb mij wel eens eenoog gevoeld, maar ook vaak een blinde. Ik houd mij voor, als ik goed meen te zien, af en toe te knipogen.

 

Azijnzeiker

Natuurlijk moest ik even googlen wat de woordenboeken me over deze term te vertellen hadden. Het Nederlandse woordenboek gaf  “Geen uitgebreide woordinformatie. Het woord komt ook niet voor in de woordenlijsten die zijn goedgekeurd door de Taalunie.” Het Vlaamse woordenboek daarentegen wel: een azijnzeiker werd er beschreven als een pessimistische persoon; een persoon die alles negatief ziet.

Azijnzeiker is een prachtig woord en het geeft precies weer waar het over gaat, dat zure en wrange dat iemand maar om zich heen loopt te sproeien en waarmee elk onderwerp van doordrenkt wordt. Je kunt het volgens mij niet helpen, als je de zaken wat somber en donker voelt en het daarvan blijk geven hoeft nog geen azijnzeikerij te zijn. Maar als je het afkraken van alles om je heen als levensmotto hebt, kun je concluderen: “Ik ben er één.”

Wat zou de azijnzeiker bezielen? Goed, hij zal negativiteit in zichzelf ervaren, maar waarom het voortdurend besmeuren van mensen en zaken? Is het een gevoel van genoegdoening de ander mee te sleuren in zijn zwartigheid? Ik was een jaar of zes, toen ik met een even oud vriendje bij een slootje stond. Er lag een gammele plank over en mijn vriendje wilde daarop gaan staan. Ik raadde hem dat af, maar hij negeerde dat, met als gevolg dat hij tot zijn middel in de moddersloot belandde. Tot mijn ontsteltenis wilde het gluipertje mij toen ook in de sloot gooien, kennelijk met de gedachte: “Ik nat, jij ook nat.” Het lukte hem gelukkig niet waarna hij jankend naar huis liep. Het gevoel van valsheid is me altijd bijgebleven en bij het schrijven van dit stuk begrijp ik dat dit de levensfilosofie van de azijnzeiker moet zijn: “Ik in de blubber, jij in de blubber.”

Ik zal ze af en toe moeten gedogen, maar ik zie ze niet graag. Al denkend over dit onderwerp merk ik dat ik nogal negatieve gevoelens heb met betrekking tot azijnzeikerij, waarmee volgens mij is aangetoond dat het nogal besmettelijk is. Ik verklaar hierbij dan ook plechtig: “Azijnzeikers, blijf ze uit de buurt!”

 

Niet alles goud wat blinkt

“Je moet jezelf als goud verkopen,” zei de jonge vrouw tegen me, terwijl ze veelbetekenend knikte. Ze was stagiare bij een arbeidsconsulent en had deze woorden vast van een goedbedoelende raadgever vernomen. Ik was te aarzelend geweest over mijn capaciteiten en begreep dat ze me over een drempel wilde helpen.

Toen ik wat verder nadacht over die woorden, vernam ik toch een wat treurige lading in die uitspraak. Je zelf als goud moeten verkopen, ongeacht het gegeven of je vindt dat je aan die eisen wel kunt voldoen. Dat betekent, dat je eigenlijk de zaak zit te flessen en dat kan op zijn beurt niet anders dan op een teleurstelling uitlopen. Natuurlijk is het goed je beste beentje voor te zetten, maar als je zegt de honderd meter in tien seconden te kunnen lopen terwijl je weet dat je deze niet sneller dan in vijftien of in twintig seconden doet, val je door de mand. En als je in je eigen facade gelooft val je eens niet alleen anderen, maar ook jezelf tegen. Ken je kwaliteiten, maar vergeet niet je beperkingen is de boodschap. Hoe vaak gebeurt het niet dat het goud wat blinkt een oppervlakkig laagje is, waaronder al dan niet een metaal van geringe kwaliteit verborgen zit.

Goud is waardevol en duurzaam, goed, ik begrijp dat het zeer wordt gewaardeerd, maar dit edelmetaal is niet geschikt voor alle doeleinden. Constructies die sterk moeten zijn bestaan bijvoorbeeld uit andere metaalsoorten, waarmee ik maar wil zeggen: je hoeft niet eens altijd goud te zijn om nut te hebben.

Jezelf als goud moeten verkopen, is het dat, wat de wedren van het leven van ons verwacht? Mag het niet een onsje minder? Wordt steeds de hoogste prijs van ons gevraagd, ongeacht of je die wel in je portemonnee hebt? Kalm aan, dan breekt het lijntje niet, kan dat nog, of moet je worden meegesleurd in de vaart der volkeren?

Ik weet niet goed voor welk metaal ik mij kan uitgeven, maar ik overschat mijzelf niet graag, want op mijn tenen lopen houd ik niet vol; het bezorgt me een enorme kramp in mijn kuiten.

 

De harde waarheid

De waarheid is hard, dat wordt algemeen aangenomen en ik moet zeggen; ik kan mij vaak niet aan de indruk onttrekken. We krijgen te maken met teleurstelling, verlies of andere narigheid. Ook het onder ogen zien van een negatieve situatie of eigen tekort wordt als harde waarheid bestempeld. “Het leven is rot,” mompelde de man, terwijl hij zich boog over zijn glas, “want we gaan allemaal dood.” De persoon die naast hem zat barstte in lachen uit en hief het glas met de woorden: “Proost, op het leven.” Ik begreep eens te meer dat de beleving van waarheid een subjectieve aangelegenheid is.

“Ik zal jou eens goed de waarheid zeggen,” als je zoiets te horen krijgt volgt waarschijnlijk ongezouten kritiek op je doen en laten. Dan is het soms wel prettig om te beseffen dat waarheid een persoonlijk en zonodig een te weerleggen begrip is, maar goed, je weet zo tenminste hoe iemand over je denkt.

Persoonlijk en te weerleggen is ook de religieuze waarheid. De mens is al sinds heugenis naar die waarheid op zoek. Als je die waarheid kent is er geen twijfel meer, heb je gelijk en hoef je niet verder te zoeken. Maar ik vraag mij af of de zuivere waarheid bij leven ooit gevonden kan worden. De mens is een feilbaar wezen en te beperkt om die waarheid in volle omvang te kennen. Natuurlijk, je neemt dingen voor waar aan, omdat je ze zo gelooft en beleeft, maar ik vind toch dat er steeds ruimte mag zijn voor twijfel, omdat ik mens ben. “Niets is zeker en zelfs dat niet” klinkt de uitspraak van Multatuli en zo is het maar net, twijfel hoeft niet erg te zijn.

De waarheid is soms hard, maar ik zoek dan toch daarachter een waarheid die de scherpe kantjes er vanaf haalt, zodat uiteindelijk de waarheid een draaglijke zal zijn, die zich ten goede zal keren. En boven dit alles gaat het besef dat ik allemaal niet hoef te weten hoe het zit, omdat ik daarvoor in mijn bevattingsvermogen gewoonweg tekort schiet.

De harde waarheid kan beklemmen, maar staat de waarheid wel altijd vast? Geef mij dan de ruimte voor twijfel.

 

Pijn is fijn, bloed moet, jeuk is leuk

Hoe laconiek en onbezorgt heb ik deze woorden lachend meegeroepen tijdens mijn basisopleiding bij de Mobiele Eenheid, die volgde op het opleidingsjaar van de Rijkspolitie. Het voelde goed de stoere jongen te spelen en een bruisend avontuurlijk leven stond voor de deur, dus aanpakken en doorzetten maar. De wachtmeester die ons probeerde af te knijpen was eigenlijk de kwaadste niet en ernst en spel waren met elkaar verweven. Wist ik veel.

De energie en motivatie van toen kan ik moeilijk in mijn geheugen terughalen, zoveel jaren terug, het lijkt bijna van een vorig leven. Wat doet de tijd met een mensenleven? Je zult worden wie je bent, zei een man wijs tegen mij, dus volgt de vraag na een aantal jaren: wie ben je dan? Natuurlijk heb ik de woorden van bovengenoemde kreet nooit geloofd, dat deed niemand van ons, maar het zette toch de toon van een sfeer “niet zeuren maar doen,” een onbezonnen houding die je liet doorzetten. Toch kan ik nu een gevoel van onbenulligheid niet onderdrukken als ik de titel van deze column lees en denk tegelijkertijd: “dan maar een watje.

Pijn is niet fijn, bloed moet niet, jeuk is niet leuk, de wachtmeester zal met enig misprijzen van deze woorden kennis nemen. De echte bikkels redden het immers in de maatschappij en die zijn er genoeg; van die mensen die doorgaan, wat er ook gebeurd. Je zult echter je zwakke plekken moeten leren ontdekken, de achilleshiel die je nekt wanneer niet onderkend. Bovendien, waar voor de één kracht lijkt te liggen, kan de ander weer zwakheid ervaren, bijvoorbeeld niet op kunnen geven waar een verloren en destructieve strijd wordt geleverd. Pijn, bloed en jeuk, we komen er niet onderuit in het leven, maar ik kan er niet meer om lachen, daar ben ik nu wel achter.

“Je zult worden wie je bent,” het heeft geen zin je af te vragen “wie dan wel?” Als je toch wordt wie je bent, merk je vanzelf wel waar je uitkomt, dus maak je geen zorgen en vindt vrede met het resultaat, dan ben je een gelukkig mens.