gedachtenspinsels

Archief voor juni, 2011

Verlangen

 

“Het gras zal altijd groener zijn aan de andere kant van de heuvels, maar aan het verlangen komt geen eind.” Het is al weer een even geleden dat Liesbeth List en Ramses Shaffy dit lied samen zongen, maar de betekenis is van alle tijden. Aan het verlangen komt geen einde; wat is het toch wat ons daarin drijft? Er lijkt iets in het bestaan, ja in de ziel van de mens te wonen dat misschien bij tijden bevredigd kan worden, maar toch altijd opnieuw weer vraagt om vervulling en hernieuwing, in een zoeken naar de verre einder die aan de andere kant van de heuvels ligt. Wellicht is dat ook de oorsprong van onze behoefte te willen geloven in God, spiritualiteit, het paradijs; zingeving die zich in allerlei vormen voordoet.

Verlangen geeft een onvervuld gevoel van weemoed en doet mij wel eens vergeten te leven in en met het moment. Verschillende religies hebben een antwoord op de bron van ons verlangen: wij verlangen terug naar het paradijs waaruit wij zijn verdreven omdat wij als God wilden (verlangden) te zijn. Als ik naar de geschiedenis kijk zie ik dit als God willen zijn bij de mens vooral in zijn zoeken naar macht; macht als vervulling van dat verlangen, maar onverzadigbaar en dus volgens mij een heilloos doel. Harmonie en vrede zouden het antwoord kunnen zijn, zowel in mijzelf als met mijn omgeving; met het leven, de dood. Ik heb eigenlijk geen pasklaar antwoord op de vraag hoe dat te bereiken. Ik vind troost en bemoediging in allerlei zaken zoals muziek, het schrijven van deze columns, psalmen die ik geleerd heb, maar toch vooral van mensen om me heen, die me het besef geven dat ik niet alleen sta in mijn verlangen. Toch is de vraag waar dat ingebakken verlangen vandaan komt niet ten volle beantwoord en ik vraag me af of dat antwoord is te vinden. Misschien moet ik het er maar gewoon mee doen.

Verlangen is een smeulend vuur, dat opvlamt als er een bries van hoop en belofte doorheen waait. Ik mag steeds blijven verlangen, omdat er altijd wel wind staat.

Advertenties

Vriendschap

“Eén keer trek je de conclusie: vriendschap is een illusie.” Wat treurig toch de betekenis van dit overigens mooie lied van Het Goede Doel. Maar een dergelijke gedachte zal bij velen wel eens een keer zijn opgekomen als een vriendschap een teleurstellende wending nam. Ik onderschrijf echter de stelling niet, al heb ik de definitie van vriendschap door de jaren heen wel wat moeten bijstellen.

Hoe onbevangen is iemand niet in zijn jonge jaren bij het aangaan van vriendschappen? Eindigheid is dan nog een tamelijk abstract begrip en de belofte “we blijven voor altijd…” wordt even oprecht als gemakkelijk uitgesproken. Een vriendje en ik besloten eens, geïnspireerd door Winnetou en Old Shaterhand, bloedbroeders te worden, om zo onze eeuwige vriendschap te bezegelen. We kerfden met een mes een sneetje in onze armen en smeerden ons beider bloed aan een boom. Winnetou en Old Shaterhand dronken overigens elkaars bloed op, maar dat was voor ons toch net iets te veel van het goede. Het jonge boompje is inmiddels een volwassen exemplaar geworden, maar mijn bloedbroeder ben ik reeds lang uit het oog verloren. Vrienden verhuizen, krijgen andere interesses, trouwen of anderszinds.

De strofe uit het lied waarmee ik deze column begon heeft iets van droeve bitterheid, maar dat voel ik niet zo. Nieuwe vriendschappen worden aangegaan, met als enige verschil dat, doordat met het verstrijken van de jaren ook het besef van tijdelijkheid groeit, je weet dat deze niet voor altijd hoeven te zijn. Gelukkig duren mijn vriendschappen al weer lang en ik zie niet waarom deze zouden moeten eindigen.

Toch; dat onbevangene, dat alles met elkaar delen, zonder reserve, voor altijd, is ergens tussen de jaren blijven hangen. Ieder is bezig met zijn eigen hachje, zo ook ondergetekende en het leven heeft geleerd paal en perk te stellen als men merkt dat het water de lippen dreigt te overspoelen. Maar vriendschap een illusie? Nee hoor, voor mij niet. Met wederzijds respect als basis kan ik nog samen lachen, samen grienen.


Geloof

Is het mogelijk niet te geloven? Dat was de eerste vraag die bij me op kwam, toen ik de titel van deze column schreef. Want je gelooft altijd wel iets, omdat iets niet geloven toch ook een vorm van geloven is. De agnost zegt dat hij over het bestaan van God geen oordeel kan hebben, omdat hij het niet weet, maar als je wat doordenkt zou je kunnen zeggen dat hij gelooft daar geen antwoord op te kunnen geven.

Als men iemand op andere gedachten wil brengen wordt wel eens gezegd:”Ja, je gelóóft dat dit of dat zo is,” waarmee dan de indruk wordt gewekt dat het allemaal niet zo zeker is, immers, je gelooft het toch alleen maar? Geloof kan echter een krachtige energie zijn die voor velen gelijk staat aan zeker weten. “Het geloof nu is een vaste grond der dingen die men hoopt en een bewijs der zaken die men niet ziet,” zegt Paulus in zijn brief aan de Hebreeën en daarbij geeft hij in een duidelijke definitie aan wat geloof kan betekenen. Het is een tekst uit de bijbel, maar deze stelling geldt volgens mij voor iedereen die zo vast gelooft, dat het zekerheid en dus bewijs der zaken is geworden.

In voorgaande tekst worden geloof en hoop in één adem genoemd. Ze liggen dan ook dicht bij elkaar; als je er niet meer in gelooft valt er toch ook meestal weinig meer te hopen. “Ik geloof het allemaal wel,” zei de man met een glazige blik en ik dacht: “O, dus niet” “Hij gelooft er niet meer in” wordt er wel gezegd en dan bedoelt men dat de moed wordt opgegeven. Geloof schept hoop en geeft moed. “Zonder geluk vaart niemand wel,” klinkt het gezegde, maar je zou ook kunnen zeggen: “Zonder geloof vaart niemand wel.” Ik ga er, in de positieve golf waarin ik zit, maar gewoon vanuit dat we dan geloven in het goede, want is het dat niet waar de mensheid naar snakt: geloven in vrede en harmonie? Dat geeft pas echt zin aan het bestaan.

Die vast gelooft, meent ook te weten, maar die niet weet, mag toch in vertrouwen geloven.

 


Hoop

“Zolang er leven is, is er hoop,” klinkt het gezegde, want immers “hoop doet leven.” Hoop is geloof ik één van onze sterkste drijfveren. Men hoopt op beter tijden, op de liefde van iemand of, en dat is misschien wel de ultieme hoop: het paradijs aan het einde van ons bestaan. Als je hoopt houd je de moed er in en heb je de kracht om door te gaan. Hoop geeft iets jeugdigs aan het bestaan, omdat hoop, wat dicht bij verwachting kan liggen, toch iets is wat bij uitstek in de jonge jaren wordt beleefd. Men heeft dromen en fantasiën over hoe het leven, dat zo oneindig voor zich ligt, er wel niet uit zou kunnen zien en men hoopt er daarbij in jeugdig vertrouwen op dat het allemaal wel goed zal komen.

Hoop geeft kracht als de moed je in de schoenen dreigt te zinken en je eigenlijk zou moeten zeggen dat de zaak is verloren. Daarom beginnen veel mensen weer in God te geloven, als alle grond onder hun voeten is weggeslagen en er nergens meer houvast is te vinden. Dan vestigen zij hun hoop op God als een laatste strohalm. Ik merk in ieder geval ook dat uit de bronnen van religie en spiritualiteit veel hoop kan worden geput.

Geloof, hoop en liefde worden vaak in één adem genoemd. Het is mooi dat hoop daar tussenin geklemd zit als een bindende factor, een katalysator die deze belevingen tot volle wasdom doet komen. Daarom mag de hoop niet sterven; wil ik die vasthouden waar ik maar kan.

Er zijn mensen die je de hoop niet gunnen dus als zij merken dat je steun of kracht daaruit put, wil men die uit je hoofd praten. “Het is ijdele hoop waarop je bouwt,” krijg je dan te horen. Maar hoe ijdel is hoop, als dat het laatste kan zijn wat je nog rest? Realiteit is een rekbaar en subjectief begrip en die onder ogen zien is toch hoofdzakelijk afhankelijk van iemands persoonlijke beleving en zienswijze. En ook al leg je je bij de soms teleurstellende feiten neer, dat sprankje hoop heeft dan toch iets van energie die troost en kracht biedt in het vertrouwen dat het allemaal wel goed zal komen.


Liefde

Toen ik op de kunstacademie zat, had een medestudent eens een werkje gemaakt met als opschrift: “De liefde, de liefde, het heet wel de min; de liefde, de liefde, geeft altijd goede zin.” Ik vond het grappig en ontwapenend en nu ik er weer over nadenk vat het toch eigenlijk in de kern samen waarom het allemaal gaat. Zonder liefde valt de zin weg, is het bestaan een lege verzameling. Uit een onderzoek bleek eens, dat als je een pasgeborene onthoudt van elke aanraking, liefkozing of welke vorm van contact dan ook, maar alleen slechts voedt, deze wegkwijnt en sterft. Ik vraag me nu af hoe ze dat eigenlijk onderzocht hebben. Ze zullen vast geen baby hebben opgeofferd, in dienst van het onderzoek, dit even terzijde.

Maar wat liefde eigenlijk is kan slechts gevoeld worden. Het is in wezen een onzichtbaar fenomeen. Wat jaren terug zag je wel tekstbordjes, voorzien van die overbekende getekende poppetjes “Liefde is….” gevolgd door een meestal alledaagse uitspraak zoals “…de vuilnis voor haar buiten zetten,” of “…samen uit eten gaan.” Het maakte duidelijk, dat liefde overal in kan zitten; in het geven van een kop koffie, een schouderklop, een glimlach, of gewoon je aanwezigheid. Als er iets ongrijpbaar is, dan is het wel liefde, maar tegelijkertijd het meest begeerd.

Want dan hebben we natuurlijk ook “de” liefde, altijd vergezeld van het lidwoord “de”, om aan te geven dat het wel over iets heel groots gaat. Ja, de liefde, waarvoor is gestolen, gemoord, bedrogen, maar ook waarover de mooiste gedichten, schilderijen en symphoniën zijn gemaakt. Is het niet De liefde waarom het allemaal gaat? Toch vraag ik me af of, als de jaren zijn verstreken en de stormen der gevoelens wat zijn bedaard, niet alles veel gewoner is en dichter bij huis moet worden gezocht, zoals “… de vuilnis voor haar buiten zetten” of “….elkaar een schouderklopje geven.” Zoeken we in de liefde ook niet te veel naar die verre einder, die met iedere stap gezet ook weer een stap van ons verwijderd raakt?

 


Troost

“Van de schoonheid en de troost,” heette een documentaire, die handelde over de troostende werking die schoonheid kan hebben. Wat er allemaal in gezegd werd weet ik niet meer, maar de titel is me bijgebleven, omdat er van de titel zowel schoonheid als troost uitgaat. Het blijkt dus wel weer, dat troost eigenlijk in allerlei zaken kan worden gevonden. Ik vind echter troost en afleiding dicht bij elkaar liggen. Iemand zuipt zich een stuk in de kraag en vind zo troost in de drank, of iemand gaat sporten, hard werken, luisteren naar muziek, leest een goed boek. Goed, je zou dus ook kunnen zeggen dat iemand dan troost vind in de afleiding.

Troost is volgens mij wel iets, waarvoor je open moet staan. Als iemand ontroostbaar is, omdat het verdriet zich te diep geworteld heeft, of omdat iemand zijn of haar verdriet heimelijk koestert, zal troost weinig kunnen doen. Aan troost moet je toe zijn. Goedwillende mensen hebben nog wel eens gauw de behoefte te troosten, maar dit zou wrevel kunnen opwekken bij iemand in een ontroostbare toestand. Sarcasme of zelfs boosheid kan dan het deel van de trooster zijn, wat een gevoel van ontreddering geeft. Ik vind ontroostbare mensen moeilijk om mee om te gaan, doordat ze je iets van schuld en machteloosheid geven, omdat je de diepte van het verdriet niet genoeg kunt peilen, delen of verzachten.

Toch denk ik dat woorden nog het meest kunnen troosten. Woorden gesproken door je medemens, door jezelf, of woorden die geschreven zijn. Hoewel ik mijzelf wel eens een agnost noem, omdat ik in de kern moet zeggen dat ik “het” niet weet, kan ik toch, als zwerver in het land van mijn gedachten, troost vinden in teksten of psalmen, woorden die ik geleerd heb, zoals deze prachtige psalm:

Gij weet o God hoe ik zwerven moet op aard

mijn tranen hebt Ge in Uwe fles vergaard

is hun getal niet in Uw boek bewaard

niet op Uw rol geschreven?

 


Eerlijkheid duurt het langst

Hoelang mag het eigenlijk duren, die eerlijkheid? Is er een einde aan het geduld en vasthouden aan het principe eerlijk te willen blijven? Veel mensen gaan door de knieën, als zij merken dat anderen door oneerlijk te zijn succes oogsten. Wat het oog niet ziet deert ze niet is het motto, als doen en laten niet controleerbaar zijn. Eerlijkheid is soms een rekbaar begrip en een goed geweten is dan het resultaat van een slecht geheugen. Kan het verstand je geweten niet sussen, door allerlei gedachtenconstructies die één en ander rechtvaardigen? Veel kan ook door de beugel onder het motto:”Het doel heiligt de middelen” en de spreuk “wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat dan ook een ander niet” wordt gemakshalve liever naar de achtergrond verdrongen. Ieder wil zichzelf handhaven en daar horen dan hetzij kleine dan wel grotere leugens bij.

Leugens zijn het smeermiddel van de samenleving, heb ik wel eens gehoord. Het hangt er vanaf hoe je dat interpreteert. Als het gaat om bedotten en bedriegen van de ander, dan kan ik eigenlijk geen waarheid in die spreuk vinden, maar in de dagelijkse omgang met elkaar is het soms beter je al te expliciete gedachten niet of anders uit te spreken. Sommige mensen doen bot of kwetsend tegen de ander en vinden dan dat ze zo eerlijk zijn. Ik zou tegen die mensen willen zeggen:”Lieg er maar eens lustig op los”

Welke maatstaven heb je als het gaat om eerlijkheid? Wat vind je een leugen en wat vind je: “de waarheid anders brengen?” Ik bezocht eens een film-en discussieavond over bijna doodervaringen. In de film kwam de hoofdpersoon in het voorportaal van de hel, maar werd gered door de naam van Jezus aan te roepen. Het bleek een evangeliesatietruc te zijn, die echter bij de bezoekers in verkeerde aarde viel. “Het doel heiligt de middelen”, moet de evangelist gedacht hebben, maar toen het zaaltje leegliep met verontwaardigde mensen bleek toch maar weer eens dat eerlijkheid het langst duurt.