gedachtenspinsels

Archief voor juli, 2011

Eigenwijs

Uitspraak: ɛixə(n)ˈwɛis Bijvoeglijk naamwoord 1 met de gewoonte nooit raad van anderen aan te nemen. Synoniem: eigengereid `Je denkt het altijd beter te weten, doe toch niet zo eigenwijs.` 2 grappig en een beetje uitdagend `een eigenwijs poesje` Gevonden op http://www.woorden.org/woord/eigenwijs.

Eigenwijsheid wordt, behalve dan zo’n eigenwijs poesje, doorgaans pas achteraf gewaardeerd. In het geval van Columbus bijvoorbeeld. Iedereen beweerde, dat hij met schip en al over het randje van de aarde, zo de afgrond in zou kieperen, maar hij hield voet bij stuk. Dus werd Amerika ontdekt en Columbus met ei en al een icoon der geschiedenis.

Ik geloof, dat ik een beetje eigenwijs ben. Dat begon al, toen mijn ouders mij verzekerden dat het ijs te dun was om er op te staan. Ik herinner mij nog zowel een nat pak, als een pak voor mijn broek. Veel meer heeft mijn eigenwijsheid mij tot dusver eigenlijk niet opgeleverd, maar je weet maar nooit, wellicht valt er nog iets te ontdekken. Nu geloof ik, dat een mens door de jaren heen wel wijzer wordt, dus dat mag ongetwijfeld ook voor mij gelden, toch is het moeilijk om, als je werkelijk een andere mening hebt, die los te laten. Bovendien, als jij zegt dat ik eigenwijs ben, is dat dan niet eigenwijs?

Of een mens bij het klimmen der jaren echt zoveel wijzer wordt, valt te bezien, maar hij leert zijn eigenwijsheid te beteugelen, denkend aan dat pak voor je natte broek. Vaak kletst het leven je voor je broek als je al te eigenwijs bent, dus de wijsheid die dat oplevert, doet zich voor als voorzichtigheid.

“Gij zult de meerderheid in het kwaad niet volgen,” dat is eigenwijs! Als iedereen het doet, zal het wel goed zijn en de tegenstander zal al gauw als eigenwijs bestempeld worden. Dan is het moeilijk je poot stijf te houden. De klokkenluider krijgt vaak de kous op de kop en pas als alles weer in goede banen is geleid krijgt hij eindelijk de waardering die hem toekomt.

Wees niet al te eigenwijs, maar vindt je eigen wijs.

 

Advertenties

Levenszin

Vreemd, dat het woord levenszin anno 2011 niet in de diverse online woordenboeken voorkomt. Het enige wat ik vond was: “Heeft geen uitgebreide woordinformatie. Het is echter wel goed gespeld en is goedgekeurd door de Taalunie.” Nou, dat laatste is dan weer een meevaller, maar goed, als we vanaf nu het woord levenszin gaan gebruiken, verschijnt het vanzelf in het woordenboek.

Levenszin omvat eigenlijk zowel de zin van, als zin hebben in – het leven, begrippen die de mensheid al van oudsher bezig houden. De vraag “wat is de zin van het leven,” wordt volgens mij voor een belangrijk deel beantwoord met “zin hebben in het leven,” want als de levenslust je in het bloed kriebelt en je geniet met volle teugen, zal de vraag wat de zin van het leven is je retorisch voorkomen. Maar tijdens momenten van bezinning en die komen meestal met het verstrijken van de jaren, vraagt men zich wel eens af: “wat is de zin” en in mijn en misschien ook in  jouw geval: “heb ik wel altijd zin?”

“Als je geen zin hebt, moet je zin maken,” klinkt de ferme uitspraak, veelal van doorzetters of  mensen die dat graag willen lijken. Ik moet echter zeggen dat dit zin maken mij niet altijd zo best afgaat. Iemand zei eens: “Ik ben niet lui, ik heb alleen gebrek aan motivatie” en is dat niet het toverwoord: motivatie. Levenszin geeft motivatie en energie en beantwoordt de vraag wat de zin van het leven is niet in woorden, maar in daden. Hoe nu levenszin te vinden, is een wat lastige vraag. Ik denk, dat de aard van een persoon veel uitmaakt. Waar de één het hoofd laat hangen, gaat de ander er weer met dubbele energie tegenaan. Toch denk ik dat er veel levenszin is te putten uit prettige sociale factoren, aangename bezigheden, geneugten des levens, het stellen van haalbare doelen, maar vast ook in religie en spiritualiteit.

Levenszin, wat is de zin en zin hebben in, we zullen het allemaal voor onszelf maar toch ook met elkaar moeten vinden. Zo, en dan heb ik nu zin -in een kop koffie.

 


Slap ouwehoeren

 

Soms is het gewoon fijn om eens lekker uit je nek te kletsen. Zoiets kun je niet bij iedereen doen, maar meestal bij mensen die je wat beter kent. Ik kom graag en met regelmaat in mijn stamkroeg, de plek waar bij uitstek van tijd tot tijd gezwetst mag worden; ik stel echter: “Zwets, maar wel met mate.”

Het heerlijk zwammen kent zijn grenzen, hebben de jaren mij laten weten. Vroeger niet. In mijn jonge jaren kon ik er geen genoeg van krijgen en de meesten deden er vrolijk aan mee. Zo deed de verdenking dat mijn kostvrouw niet meer van me hield, omdat ze geen ballen meer in mijn soep deed het altijd goed bij de meeste meisjes. Maar er is inmiddels wat modder door de goot gegaan en die nonchalante houding van “het is allemaal maar een lolletje,” heb ik toch los moeten laten. Ik denk dat het slappe geouwehoer nu meer is overgegaan in ironie, desondanks; ik zwets, maar wel met mate.

Ik geloof dat slap ouwehoeren een functie heeft. Het is in wezen geen nutteloos verschijnsel. Dat milde gezwam werkt in zekere zin ontspannend en zegt je je toch maar niet al te druk te maken over de dagelijkse beslommeringen. Maar het is als gebak, lekker en luchtig echter, krijg je er teveel van dan dreigt men misselijk te worden, vandaar: met mate.

Vroeger had ik een collega die me vertelde dat hij mumzels zag. Ze zaten onder viaducten en hadden allerlei kleuren, ik moest maar eens opletten. Inderdaad ik zag ze ook. Ze waren erg roekeloos en sprongen soms zomaar voor je auto. Die blauwe mumzels met rode ogen kon je niet serieus nemen, die kletsen alleen maar ongelofelijk uit hun nek.

Ik zie tegenwoordig bijna geen mumzels meer. Er zit nog een nest onder de Molenbrug. Die jonge mumzels dartelen en springen vrolijk rond, maar er zit zo’n grijze baardmumzel bij die zijn lach achter de snorharen heeft verstopt. Maar chagerijnig is hij toch niet, als hij zijn baard heeft geknipt kun je nog een lach op zijn lippen zien verschijnen. Zijn roekeloosheid is echter verdwenen; hij springt niet meer zomaar voor je auto.

 


Ik denk, hoe bestaat het

Er wordt wel beweerd dat het besef van ons bestaan te danken is aan ons vermogen te kunnen denken, getuige de uitspraak: “Ik denk, dus ik besta.” Of dit zo kan zijn laat ik in het midden, maar voor mij geldt in ieder geval het gegeven: “Ik besta, dus ik denk.” Het mag misschien als een vrije keuze klinken, maar de dagelijkse portie gedachten die ik voor mijn kiezen krijg komen meestal spontaan tot mij en ik vraag me af of daar sprake is van een vrije wil. Je zou zeggen dat je je gedachten in een richting kunt dwingen door bijvoorbeeld een boek te lezen of in je gitaarspel te verzinken, maar buiten dat moet je  maar afwachten of de gedachten die tot je komen je wel altijd bevallen. Men kan zich bijvoorbeeld behoorlijk de put in denken. Ieder zal beamen dat niemand zoiets de bedoeling vindt, dus waarom dan toch die gedachten? Denk jezelf gelukkig zou ik zeggen, maar zo simpel ligt het niet. De kreet “don’t worry, be happy” vond ik altijd al van een vrolijke stompzinnigheid getuigen, maar misschien hebben andere mensen er wat aan.

Toch geloof ik wel dat je je gedachten in positieve zin kunt beïnvloeden, maar zoals altijd moet je daar maar net in kunnen geloven. “Wat jij denkt is niet reëel,” wordt er dan gezegd dus wordt er gekozen voor het doemscenario. Ik stel, er wordt gekozen, maar hoe vrij is die keuze als de pessimistische gedachten zomaar bezit van je nemen? Ach ik begrijp, je kunt hier oeverloos over doordenken en ik verontschuldig me, het komt allemaal door het feit dat ik besta. De vraag waar onze gedachten vandaan komen kunnen maar ten dele verklaard worden zoals bijvoorbeeld: door de omstandigheden, door je verleden, door je karakter en ga zo nog maar even door, toch zal de diepste oorsprong ervan volgens mij altijd een mysterie blijven. Als wij die bron van onze gedachten zouden kennen, dachten we ons allemaal gelukkig want we pikten de besten eruit.

Ik geloof dat de geest wijds is als het universum, laten we proberen daaruit gedachten te vangen die zin geven.