gedachtenspinsels

Archief voor september, 2011

Eenoog

Zoals waarschijnlijk iedereen wel zal weten, is in het land der blinden eenoog koning, een titel die je meestal wat geringschattend krijgt aangemeten, aangezien je kwaliteiten in dat geval worden gezien tegenover hen, die minder of helemaal niets kunnen. Ik denk dat veel mensen een groot deel van hun eigenwaarde meten aan dat, wat ze menen voor te stellen ten opzichte van anderen, hetzij door kennis, hetzij door vaardigheden, bezit of misschien gewoon door anderen te helpen.

Iemand die een minimum inkomen heeft, wordt in Nederland krap bij kas genoemd, dat zal ieder beamen. Vergelijk je dat echter met een persoon die in een tentje in het vluchtelingenkamp vertoeft, hongerig en beroofd van al zijn bezittingen, dan ziet diezelfde Nederlander er opeens veel vermogender uit. Of deze: je bent gezond en kunt lichamelijk goed uit de voeten, maar stel dat iedereen nu eens vleugels zou hebben en kunnen vliegen, alleen jij niet. Opeens voel je je lichamelijk gehandicapt. In beide voornoemde gevallen is er niets aan je eigen situatie veranderd, alleen de omgevingsfactoren hebben er invloed op gehad hoe je je voelt. Ik ken iemand die het fijn vindt om naar problemen van anderen te luisteren. Hoe groter de problemen, hoe meer ze daarvan opfleurt, omdat daarbij haar eigen toestand niet zo erg meer lijkt.

Wat zorgt er eigenlijk voor, dat we ons vaak beter voelen, naarmate de ander in een mindere situatie verkeerd? Heeft het te maken met de wedren van het leven, het bewuste of onbewuste gevoel dat de sterkste overleeft, vaak ten koste van de zwakkere? Maar hoe relatief is het toch, te denken meer of minder dan een ander te zijn? We komen met niets en uiteindelijk gaan we ook weer met niets, alleen die heksenketel die leven heet doet ons van tijd tot tijd iets verbeelden; een verbeelding die we zonder onze medemensen niet konden hebben, immers, er zou dan geen vergelijkingsmateriaal zijn.

Ik heb mij wel eens eenoog gevoeld, maar ook vaak een blinde. Ik houd mij voor, als ik goed meen te zien, af en toe te knipogen.

 

Advertenties

Azijnzeiker

Natuurlijk moest ik even googlen wat de woordenboeken me over deze term te vertellen hadden. Het Nederlandse woordenboek gaf  “Geen uitgebreide woordinformatie. Het woord komt ook niet voor in de woordenlijsten die zijn goedgekeurd door de Taalunie.” Het Vlaamse woordenboek daarentegen wel: een azijnzeiker werd er beschreven als een pessimistische persoon; een persoon die alles negatief ziet.

Azijnzeiker is een prachtig woord en het geeft precies weer waar het over gaat, dat zure en wrange dat iemand maar om zich heen loopt te sproeien en waarmee elk onderwerp van doordrenkt wordt. Je kunt het volgens mij niet helpen, als je de zaken wat somber en donker voelt en het daarvan blijk geven hoeft nog geen azijnzeikerij te zijn. Maar als je het afkraken van alles om je heen als levensmotto hebt, kun je concluderen: “Ik ben er één.”

Wat zou de azijnzeiker bezielen? Goed, hij zal negativiteit in zichzelf ervaren, maar waarom het voortdurend besmeuren van mensen en zaken? Is het een gevoel van genoegdoening de ander mee te sleuren in zijn zwartigheid? Ik was een jaar of zes, toen ik met een even oud vriendje bij een slootje stond. Er lag een gammele plank over en mijn vriendje wilde daarop gaan staan. Ik raadde hem dat af, maar hij negeerde dat, met als gevolg dat hij tot zijn middel in de moddersloot belandde. Tot mijn ontsteltenis wilde het gluipertje mij toen ook in de sloot gooien, kennelijk met de gedachte: “Ik nat, jij ook nat.” Het lukte hem gelukkig niet waarna hij jankend naar huis liep. Het gevoel van valsheid is me altijd bijgebleven en bij het schrijven van dit stuk begrijp ik dat dit de levensfilosofie van de azijnzeiker moet zijn: “Ik in de blubber, jij in de blubber.”

Ik zal ze af en toe moeten gedogen, maar ik zie ze niet graag. Al denkend over dit onderwerp merk ik dat ik nogal negatieve gevoelens heb met betrekking tot azijnzeikerij, waarmee volgens mij is aangetoond dat het nogal besmettelijk is. Ik verklaar hierbij dan ook plechtig: “Azijnzeikers, blijf ze uit de buurt!”