gedachtenspinsels

Laatste

Een geval van kunst

Onlangs bezocht ik, op een mooie zomerse dag, het Kroller Moller museum nabij Otterlo. Ik vind dit een prettig museum, met veel impressionisten aan de wand, wat ik erg kan waarderen. In een open ruimte, vrij aan het begin van het museum, stuitte ik op een aantal grafstenen, dat er nogal wanordelijk door elkaar gesmeten uitzag, waar middenin een levensechte pop apatisch op zijn rug lag. De gulp van het mannenfiguur was geopend en er stak een geslachtsdeel in erectie uit. Ik begreep: dit was een ernstig geval van kunst. Om de kunstenaar niet teleur te stellen diende ik waarschijnlijk geshockeerd te zijn of op zijn minst aangeslagen, maar ik kon, ook vanwege het feit dat ik met mijn broers was, enige hilariteit niet onderdrukken. Mijn vraag aan de suppoost of ze haar vriend had meegenomen werd niet gewaardeerd en we liepen maar gauw door.

Ik dacht terug aan mijn jonge jaren op de kunstacademie, toen ik veel filosofeerde over wat kunst eigenlijk inhield. Ik veronderstelde dat het iets hogers moest zijn, rakend aan spirituele, eeuwige waarden, een geheim bewarend dat, eenmaal gekend, mijn leven op een hoger plan zou brengen. Het leverde me eigenlijk alleen maar verwarring op en toen dat achter de rug was het besef dat kunst is als het leven zelf, mooi, interessant, belachelijk, irritant, prachtig, verdrietig, blij, idioot, heel gewoon, bijzonder, banaal, verheven en vul zo het oneindige rijtje maar aan.

Er is heel wat gezegd en geschreven over kunst, maar ik ben opgehouden daarover na te denken, aangezien ik het als nogal zinloos ervaar. Het hierboven beschreven kunstwerk zou net zo goed als kermisatractie door kunnen gaan, dus wat is kunst nu eigenlijk? De kunstenaar wilde kennelijk een blikvanger zijn waarover gesproken wordt en dat is hem gelukt. Doe maar gek, anders haal je de publiciteit niet.

Ik houd het maar bij de simpele wijsheid die ik eens ergens gegraveerd zag staan: de echte kunstenaar is de levenskunstenaar.

 

Advertenties

Eigenwijs

Uitspraak: ɛixə(n)ˈwɛis Bijvoeglijk naamwoord 1 met de gewoonte nooit raad van anderen aan te nemen. Synoniem: eigengereid `Je denkt het altijd beter te weten, doe toch niet zo eigenwijs.` 2 grappig en een beetje uitdagend `een eigenwijs poesje` Gevonden op http://www.woorden.org/woord/eigenwijs.

Eigenwijsheid wordt, behalve dan zo’n eigenwijs poesje, doorgaans pas achteraf gewaardeerd. In het geval van Columbus bijvoorbeeld. Iedereen beweerde, dat hij met schip en al over het randje van de aarde, zo de afgrond in zou kieperen, maar hij hield voet bij stuk. Dus werd Amerika ontdekt en Columbus met ei en al een icoon der geschiedenis.

Ik geloof, dat ik een beetje eigenwijs ben. Dat begon al, toen mijn ouders mij verzekerden dat het ijs te dun was om er op te staan. Ik herinner mij nog zowel een nat pak, als een pak voor mijn broek. Veel meer heeft mijn eigenwijsheid mij tot dusver eigenlijk niet opgeleverd, maar je weet maar nooit, wellicht valt er nog iets te ontdekken. Nu geloof ik, dat een mens door de jaren heen wel wijzer wordt, dus dat mag ongetwijfeld ook voor mij gelden, toch is het moeilijk om, als je werkelijk een andere mening hebt, die los te laten. Bovendien, als jij zegt dat ik eigenwijs ben, is dat dan niet eigenwijs?

Of een mens bij het klimmen der jaren echt zoveel wijzer wordt, valt te bezien, maar hij leert zijn eigenwijsheid te beteugelen, denkend aan dat pak voor je natte broek. Vaak kletst het leven je voor je broek als je al te eigenwijs bent, dus de wijsheid die dat oplevert, doet zich voor als voorzichtigheid.

“Gij zult de meerderheid in het kwaad niet volgen,” dat is eigenwijs! Als iedereen het doet, zal het wel goed zijn en de tegenstander zal al gauw als eigenwijs bestempeld worden. Dan is het moeilijk je poot stijf te houden. De klokkenluider krijgt vaak de kous op de kop en pas als alles weer in goede banen is geleid krijgt hij eindelijk de waardering die hem toekomt.

Wees niet al te eigenwijs, maar vindt je eigen wijs.

 

Levenszin

Vreemd, dat het woord levenszin anno 2011 niet in de diverse online woordenboeken voorkomt. Het enige wat ik vond was: “Heeft geen uitgebreide woordinformatie. Het is echter wel goed gespeld en is goedgekeurd door de Taalunie.” Nou, dat laatste is dan weer een meevaller, maar goed, als we vanaf nu het woord levenszin gaan gebruiken, verschijnt het vanzelf in het woordenboek.

Levenszin omvat eigenlijk zowel de zin van, als zin hebben in – het leven, begrippen die de mensheid al van oudsher bezig houden. De vraag “wat is de zin van het leven,” wordt volgens mij voor een belangrijk deel beantwoord met “zin hebben in het leven,” want als de levenslust je in het bloed kriebelt en je geniet met volle teugen, zal de vraag wat de zin van het leven is je retorisch voorkomen. Maar tijdens momenten van bezinning en die komen meestal met het verstrijken van de jaren, vraagt men zich wel eens af: “wat is de zin” en in mijn en misschien ook in  jouw geval: “heb ik wel altijd zin?”

“Als je geen zin hebt, moet je zin maken,” klinkt de ferme uitspraak, veelal van doorzetters of  mensen die dat graag willen lijken. Ik moet echter zeggen dat dit zin maken mij niet altijd zo best afgaat. Iemand zei eens: “Ik ben niet lui, ik heb alleen gebrek aan motivatie” en is dat niet het toverwoord: motivatie. Levenszin geeft motivatie en energie en beantwoordt de vraag wat de zin van het leven is niet in woorden, maar in daden. Hoe nu levenszin te vinden, is een wat lastige vraag. Ik denk, dat de aard van een persoon veel uitmaakt. Waar de één het hoofd laat hangen, gaat de ander er weer met dubbele energie tegenaan. Toch denk ik dat er veel levenszin is te putten uit prettige sociale factoren, aangename bezigheden, geneugten des levens, het stellen van haalbare doelen, maar vast ook in religie en spiritualiteit.

Levenszin, wat is de zin en zin hebben in, we zullen het allemaal voor onszelf maar toch ook met elkaar moeten vinden. Zo, en dan heb ik nu zin -in een kop koffie.

 

Slap ouwehoeren

 

Soms is het gewoon fijn om eens lekker uit je nek te kletsen. Zoiets kun je niet bij iedereen doen, maar meestal bij mensen die je wat beter kent. Ik kom graag en met regelmaat in mijn stamkroeg, de plek waar bij uitstek van tijd tot tijd gezwetst mag worden; ik stel echter: “Zwets, maar wel met mate.”

Het heerlijk zwammen kent zijn grenzen, hebben de jaren mij laten weten. Vroeger niet. In mijn jonge jaren kon ik er geen genoeg van krijgen en de meesten deden er vrolijk aan mee. Zo deed de verdenking dat mijn kostvrouw niet meer van me hield, omdat ze geen ballen meer in mijn soep deed het altijd goed bij de meeste meisjes. Maar er is inmiddels wat modder door de goot gegaan en die nonchalante houding van “het is allemaal maar een lolletje,” heb ik toch los moeten laten. Ik denk dat het slappe geouwehoer nu meer is overgegaan in ironie, desondanks; ik zwets, maar wel met mate.

Ik geloof dat slap ouwehoeren een functie heeft. Het is in wezen geen nutteloos verschijnsel. Dat milde gezwam werkt in zekere zin ontspannend en zegt je je toch maar niet al te druk te maken over de dagelijkse beslommeringen. Maar het is als gebak, lekker en luchtig echter, krijg je er teveel van dan dreigt men misselijk te worden, vandaar: met mate.

Vroeger had ik een collega die me vertelde dat hij mumzels zag. Ze zaten onder viaducten en hadden allerlei kleuren, ik moest maar eens opletten. Inderdaad ik zag ze ook. Ze waren erg roekeloos en sprongen soms zomaar voor je auto. Die blauwe mumzels met rode ogen kon je niet serieus nemen, die kletsen alleen maar ongelofelijk uit hun nek.

Ik zie tegenwoordig bijna geen mumzels meer. Er zit nog een nest onder de Molenbrug. Die jonge mumzels dartelen en springen vrolijk rond, maar er zit zo’n grijze baardmumzel bij die zijn lach achter de snorharen heeft verstopt. Maar chagerijnig is hij toch niet, als hij zijn baard heeft geknipt kun je nog een lach op zijn lippen zien verschijnen. Zijn roekeloosheid is echter verdwenen; hij springt niet meer zomaar voor je auto.

 

Ik denk, hoe bestaat het

Er wordt wel beweerd dat het besef van ons bestaan te danken is aan ons vermogen te kunnen denken, getuige de uitspraak: “Ik denk, dus ik besta.” Of dit zo kan zijn laat ik in het midden, maar voor mij geldt in ieder geval het gegeven: “Ik besta, dus ik denk.” Het mag misschien als een vrije keuze klinken, maar de dagelijkse portie gedachten die ik voor mijn kiezen krijg komen meestal spontaan tot mij en ik vraag me af of daar sprake is van een vrije wil. Je zou zeggen dat je je gedachten in een richting kunt dwingen door bijvoorbeeld een boek te lezen of in je gitaarspel te verzinken, maar buiten dat moet je  maar afwachten of de gedachten die tot je komen je wel altijd bevallen. Men kan zich bijvoorbeeld behoorlijk de put in denken. Ieder zal beamen dat niemand zoiets de bedoeling vindt, dus waarom dan toch die gedachten? Denk jezelf gelukkig zou ik zeggen, maar zo simpel ligt het niet. De kreet “don’t worry, be happy” vond ik altijd al van een vrolijke stompzinnigheid getuigen, maar misschien hebben andere mensen er wat aan.

Toch geloof ik wel dat je je gedachten in positieve zin kunt beïnvloeden, maar zoals altijd moet je daar maar net in kunnen geloven. “Wat jij denkt is niet reëel,” wordt er dan gezegd dus wordt er gekozen voor het doemscenario. Ik stel, er wordt gekozen, maar hoe vrij is die keuze als de pessimistische gedachten zomaar bezit van je nemen? Ach ik begrijp, je kunt hier oeverloos over doordenken en ik verontschuldig me, het komt allemaal door het feit dat ik besta. De vraag waar onze gedachten vandaan komen kunnen maar ten dele verklaard worden zoals bijvoorbeeld: door de omstandigheden, door je verleden, door je karakter en ga zo nog maar even door, toch zal de diepste oorsprong ervan volgens mij altijd een mysterie blijven. Als wij die bron van onze gedachten zouden kennen, dachten we ons allemaal gelukkig want we pikten de besten eruit.

Ik geloof dat de geest wijds is als het universum, laten we proberen daaruit gedachten te vangen die zin geven.

 

Verlangen

 

“Het gras zal altijd groener zijn aan de andere kant van de heuvels, maar aan het verlangen komt geen eind.” Het is al weer een even geleden dat Liesbeth List en Ramses Shaffy dit lied samen zongen, maar de betekenis is van alle tijden. Aan het verlangen komt geen einde; wat is het toch wat ons daarin drijft? Er lijkt iets in het bestaan, ja in de ziel van de mens te wonen dat misschien bij tijden bevredigd kan worden, maar toch altijd opnieuw weer vraagt om vervulling en hernieuwing, in een zoeken naar de verre einder die aan de andere kant van de heuvels ligt. Wellicht is dat ook de oorsprong van onze behoefte te willen geloven in God, spiritualiteit, het paradijs; zingeving die zich in allerlei vormen voordoet.

Verlangen geeft een onvervuld gevoel van weemoed en doet mij wel eens vergeten te leven in en met het moment. Verschillende religies hebben een antwoord op de bron van ons verlangen: wij verlangen terug naar het paradijs waaruit wij zijn verdreven omdat wij als God wilden (verlangden) te zijn. Als ik naar de geschiedenis kijk zie ik dit als God willen zijn bij de mens vooral in zijn zoeken naar macht; macht als vervulling van dat verlangen, maar onverzadigbaar en dus volgens mij een heilloos doel. Harmonie en vrede zouden het antwoord kunnen zijn, zowel in mijzelf als met mijn omgeving; met het leven, de dood. Ik heb eigenlijk geen pasklaar antwoord op de vraag hoe dat te bereiken. Ik vind troost en bemoediging in allerlei zaken zoals muziek, het schrijven van deze columns, psalmen die ik geleerd heb, maar toch vooral van mensen om me heen, die me het besef geven dat ik niet alleen sta in mijn verlangen. Toch is de vraag waar dat ingebakken verlangen vandaan komt niet ten volle beantwoord en ik vraag me af of dat antwoord is te vinden. Misschien moet ik het er maar gewoon mee doen.

Verlangen is een smeulend vuur, dat opvlamt als er een bries van hoop en belofte doorheen waait. Ik mag steeds blijven verlangen, omdat er altijd wel wind staat.

Vriendschap

“Eén keer trek je de conclusie: vriendschap is een illusie.” Wat treurig toch de betekenis van dit overigens mooie lied van Het Goede Doel. Maar een dergelijke gedachte zal bij velen wel eens een keer zijn opgekomen als een vriendschap een teleurstellende wending nam. Ik onderschrijf echter de stelling niet, al heb ik de definitie van vriendschap door de jaren heen wel wat moeten bijstellen.

Hoe onbevangen is iemand niet in zijn jonge jaren bij het aangaan van vriendschappen? Eindigheid is dan nog een tamelijk abstract begrip en de belofte “we blijven voor altijd…” wordt even oprecht als gemakkelijk uitgesproken. Een vriendje en ik besloten eens, geïnspireerd door Winnetou en Old Shaterhand, bloedbroeders te worden, om zo onze eeuwige vriendschap te bezegelen. We kerfden met een mes een sneetje in onze armen en smeerden ons beider bloed aan een boom. Winnetou en Old Shaterhand dronken overigens elkaars bloed op, maar dat was voor ons toch net iets te veel van het goede. Het jonge boompje is inmiddels een volwassen exemplaar geworden, maar mijn bloedbroeder ben ik reeds lang uit het oog verloren. Vrienden verhuizen, krijgen andere interesses, trouwen of anderszinds.

De strofe uit het lied waarmee ik deze column begon heeft iets van droeve bitterheid, maar dat voel ik niet zo. Nieuwe vriendschappen worden aangegaan, met als enige verschil dat, doordat met het verstrijken van de jaren ook het besef van tijdelijkheid groeit, je weet dat deze niet voor altijd hoeven te zijn. Gelukkig duren mijn vriendschappen al weer lang en ik zie niet waarom deze zouden moeten eindigen.

Toch; dat onbevangene, dat alles met elkaar delen, zonder reserve, voor altijd, is ergens tussen de jaren blijven hangen. Ieder is bezig met zijn eigen hachje, zo ook ondergetekende en het leven heeft geleerd paal en perk te stellen als men merkt dat het water de lippen dreigt te overspoelen. Maar vriendschap een illusie? Nee hoor, voor mij niet. Met wederzijds respect als basis kan ik nog samen lachen, samen grienen.