gedachtenspinsels

Posts tagged “filosoferen

Niet alles goud wat blinkt

“Je moet jezelf als goud verkopen,” zei de jonge vrouw tegen me, terwijl ze veelbetekenend knikte. Ze was stagiare bij een arbeidsconsulent en had deze woorden vast van een goedbedoelende raadgever vernomen. Ik was te aarzelend geweest over mijn capaciteiten en begreep dat ze me over een drempel wilde helpen.

Toen ik wat verder nadacht over die woorden, vernam ik toch een wat treurige lading in die uitspraak. Je zelf als goud moeten verkopen, ongeacht het gegeven of je vindt dat je aan die eisen wel kunt voldoen. Dat betekent, dat je eigenlijk de zaak zit te flessen en dat kan op zijn beurt niet anders dan op een teleurstelling uitlopen. Natuurlijk is het goed je beste beentje voor te zetten, maar als je zegt de honderd meter in tien seconden te kunnen lopen terwijl je weet dat je deze niet sneller dan in vijftien of in twintig seconden doet, val je door de mand. En als je in je eigen facade gelooft val je eens niet alleen anderen, maar ook jezelf tegen. Ken je kwaliteiten, maar vergeet niet je beperkingen is de boodschap. Hoe vaak gebeurt het niet dat het goud wat blinkt een oppervlakkig laagje is, waaronder al dan niet een metaal van geringe kwaliteit verborgen zit.

Goud is waardevol en duurzaam, goed, ik begrijp dat het zeer wordt gewaardeerd, maar dit edelmetaal is niet geschikt voor alle doeleinden. Constructies die sterk moeten zijn bestaan bijvoorbeeld uit andere metaalsoorten, waarmee ik maar wil zeggen: je hoeft niet eens altijd goud te zijn om nut te hebben.

Jezelf als goud moeten verkopen, is het dat, wat de wedren van het leven van ons verwacht? Mag het niet een onsje minder? Wordt steeds de hoogste prijs van ons gevraagd, ongeacht of je die wel in je portemonnee hebt? Kalm aan, dan breekt het lijntje niet, kan dat nog, of moet je worden meegesleurd in de vaart der volkeren?

Ik weet niet goed voor welk metaal ik mij kan uitgeven, maar ik overschat mijzelf niet graag, want op mijn tenen lopen houd ik niet vol; het bezorgt me een enorme kramp in mijn kuiten.

 

Advertenties

De harde waarheid

De waarheid is hard, dat wordt algemeen aangenomen en ik moet zeggen; ik kan mij vaak niet aan de indruk onttrekken. We krijgen te maken met teleurstelling, verlies of andere narigheid. Ook het onder ogen zien van een negatieve situatie of eigen tekort wordt als harde waarheid bestempeld. “Het leven is rot,” mompelde de man, terwijl hij zich boog over zijn glas, “want we gaan allemaal dood.” De persoon die naast hem zat barstte in lachen uit en hief het glas met de woorden: “Proost, op het leven.” Ik begreep eens te meer dat de beleving van waarheid een subjectieve aangelegenheid is.

“Ik zal jou eens goed de waarheid zeggen,” als je zoiets te horen krijgt volgt waarschijnlijk ongezouten kritiek op je doen en laten. Dan is het soms wel prettig om te beseffen dat waarheid een persoonlijk en zonodig een te weerleggen begrip is, maar goed, je weet zo tenminste hoe iemand over je denkt.

Persoonlijk en te weerleggen is ook de religieuze waarheid. De mens is al sinds heugenis naar die waarheid op zoek. Als je die waarheid kent is er geen twijfel meer, heb je gelijk en hoef je niet verder te zoeken. Maar ik vraag mij af of de zuivere waarheid bij leven ooit gevonden kan worden. De mens is een feilbaar wezen en te beperkt om die waarheid in volle omvang te kennen. Natuurlijk, je neemt dingen voor waar aan, omdat je ze zo gelooft en beleeft, maar ik vind toch dat er steeds ruimte mag zijn voor twijfel, omdat ik mens ben. “Niets is zeker en zelfs dat niet” klinkt de uitspraak van Multatuli en zo is het maar net, twijfel hoeft niet erg te zijn.

De waarheid is soms hard, maar ik zoek dan toch daarachter een waarheid die de scherpe kantjes er vanaf haalt, zodat uiteindelijk de waarheid een draaglijke zal zijn, die zich ten goede zal keren. En boven dit alles gaat het besef dat ik allemaal niet hoef te weten hoe het zit, omdat ik daarvoor in mijn bevattingsvermogen gewoonweg tekort schiet.

De harde waarheid kan beklemmen, maar staat de waarheid wel altijd vast? Geef mij dan de ruimte voor twijfel.

 


Pijn is fijn, bloed moet, jeuk is leuk

Hoe laconiek en onbezorgt heb ik deze woorden lachend meegeroepen tijdens mijn basisopleiding bij de Mobiele Eenheid, die volgde op het opleidingsjaar van de Rijkspolitie. Het voelde goed de stoere jongen te spelen en een bruisend avontuurlijk leven stond voor de deur, dus aanpakken en doorzetten maar. De wachtmeester die ons probeerde af te knijpen was eigenlijk de kwaadste niet en ernst en spel waren met elkaar verweven. Wist ik veel.

De energie en motivatie van toen kan ik moeilijk in mijn geheugen terughalen, zoveel jaren terug, het lijkt bijna van een vorig leven. Wat doet de tijd met een mensenleven? Je zult worden wie je bent, zei een man wijs tegen mij, dus volgt de vraag na een aantal jaren: wie ben je dan? Natuurlijk heb ik de woorden van bovengenoemde kreet nooit geloofd, dat deed niemand van ons, maar het zette toch de toon van een sfeer “niet zeuren maar doen,” een onbezonnen houding die je liet doorzetten. Toch kan ik nu een gevoel van onbenulligheid niet onderdrukken als ik de titel van deze column lees en denk tegelijkertijd: “dan maar een watje.

Pijn is niet fijn, bloed moet niet, jeuk is niet leuk, de wachtmeester zal met enig misprijzen van deze woorden kennis nemen. De echte bikkels redden het immers in de maatschappij en die zijn er genoeg; van die mensen die doorgaan, wat er ook gebeurd. Je zult echter je zwakke plekken moeten leren ontdekken, de achilleshiel die je nekt wanneer niet onderkend. Bovendien, waar voor de één kracht lijkt te liggen, kan de ander weer zwakheid ervaren, bijvoorbeeld niet op kunnen geven waar een verloren en destructieve strijd wordt geleverd. Pijn, bloed en jeuk, we komen er niet onderuit in het leven, maar ik kan er niet meer om lachen, daar ben ik nu wel achter.

“Je zult worden wie je bent,” het heeft geen zin je af te vragen “wie dan wel?” Als je toch wordt wie je bent, merk je vanzelf wel waar je uitkomt, dus maak je geen zorgen en vindt vrede met het resultaat, dan ben je een gelukkig mens.

 

 


Een geval van kunst

Onlangs bezocht ik, op een mooie zomerse dag, het Kroller Moller museum nabij Otterlo. Ik vind dit een prettig museum, met veel impressionisten aan de wand, wat ik erg kan waarderen. In een open ruimte, vrij aan het begin van het museum, stuitte ik op een aantal grafstenen, dat er nogal wanordelijk door elkaar gesmeten uitzag, waar middenin een levensechte pop apatisch op zijn rug lag. De gulp van het mannenfiguur was geopend en er stak een geslachtsdeel in erectie uit. Ik begreep: dit was een ernstig geval van kunst. Om de kunstenaar niet teleur te stellen diende ik waarschijnlijk geshockeerd te zijn of op zijn minst aangeslagen, maar ik kon, ook vanwege het feit dat ik met mijn broers was, enige hilariteit niet onderdrukken. Mijn vraag aan de suppoost of ze haar vriend had meegenomen werd niet gewaardeerd en we liepen maar gauw door.

Ik dacht terug aan mijn jonge jaren op de kunstacademie, toen ik veel filosofeerde over wat kunst eigenlijk inhield. Ik veronderstelde dat het iets hogers moest zijn, rakend aan spirituele, eeuwige waarden, een geheim bewarend dat, eenmaal gekend, mijn leven op een hoger plan zou brengen. Het leverde me eigenlijk alleen maar verwarring op en toen dat achter de rug was het besef dat kunst is als het leven zelf, mooi, interessant, belachelijk, irritant, prachtig, verdrietig, blij, idioot, heel gewoon, bijzonder, banaal, verheven en vul zo het oneindige rijtje maar aan.

Er is heel wat gezegd en geschreven over kunst, maar ik ben opgehouden daarover na te denken, aangezien ik het als nogal zinloos ervaar. Het hierboven beschreven kunstwerk zou net zo goed als kermisatractie door kunnen gaan, dus wat is kunst nu eigenlijk? De kunstenaar wilde kennelijk een blikvanger zijn waarover gesproken wordt en dat is hem gelukt. Doe maar gek, anders haal je de publiciteit niet.

Ik houd het maar bij de simpele wijsheid die ik eens ergens gegraveerd zag staan: de echte kunstenaar is de levenskunstenaar.

 


Eigenwijs

Uitspraak: ɛixə(n)ˈwɛis Bijvoeglijk naamwoord 1 met de gewoonte nooit raad van anderen aan te nemen. Synoniem: eigengereid `Je denkt het altijd beter te weten, doe toch niet zo eigenwijs.` 2 grappig en een beetje uitdagend `een eigenwijs poesje` Gevonden op http://www.woorden.org/woord/eigenwijs.

Eigenwijsheid wordt, behalve dan zo’n eigenwijs poesje, doorgaans pas achteraf gewaardeerd. In het geval van Columbus bijvoorbeeld. Iedereen beweerde, dat hij met schip en al over het randje van de aarde, zo de afgrond in zou kieperen, maar hij hield voet bij stuk. Dus werd Amerika ontdekt en Columbus met ei en al een icoon der geschiedenis.

Ik geloof, dat ik een beetje eigenwijs ben. Dat begon al, toen mijn ouders mij verzekerden dat het ijs te dun was om er op te staan. Ik herinner mij nog zowel een nat pak, als een pak voor mijn broek. Veel meer heeft mijn eigenwijsheid mij tot dusver eigenlijk niet opgeleverd, maar je weet maar nooit, wellicht valt er nog iets te ontdekken. Nu geloof ik, dat een mens door de jaren heen wel wijzer wordt, dus dat mag ongetwijfeld ook voor mij gelden, toch is het moeilijk om, als je werkelijk een andere mening hebt, die los te laten. Bovendien, als jij zegt dat ik eigenwijs ben, is dat dan niet eigenwijs?

Of een mens bij het klimmen der jaren echt zoveel wijzer wordt, valt te bezien, maar hij leert zijn eigenwijsheid te beteugelen, denkend aan dat pak voor je natte broek. Vaak kletst het leven je voor je broek als je al te eigenwijs bent, dus de wijsheid die dat oplevert, doet zich voor als voorzichtigheid.

“Gij zult de meerderheid in het kwaad niet volgen,” dat is eigenwijs! Als iedereen het doet, zal het wel goed zijn en de tegenstander zal al gauw als eigenwijs bestempeld worden. Dan is het moeilijk je poot stijf te houden. De klokkenluider krijgt vaak de kous op de kop en pas als alles weer in goede banen is geleid krijgt hij eindelijk de waardering die hem toekomt.

Wees niet al te eigenwijs, maar vindt je eigen wijs.

 


Levenszin

Vreemd, dat het woord levenszin anno 2011 niet in de diverse online woordenboeken voorkomt. Het enige wat ik vond was: “Heeft geen uitgebreide woordinformatie. Het is echter wel goed gespeld en is goedgekeurd door de Taalunie.” Nou, dat laatste is dan weer een meevaller, maar goed, als we vanaf nu het woord levenszin gaan gebruiken, verschijnt het vanzelf in het woordenboek.

Levenszin omvat eigenlijk zowel de zin van, als zin hebben in – het leven, begrippen die de mensheid al van oudsher bezig houden. De vraag “wat is de zin van het leven,” wordt volgens mij voor een belangrijk deel beantwoord met “zin hebben in het leven,” want als de levenslust je in het bloed kriebelt en je geniet met volle teugen, zal de vraag wat de zin van het leven is je retorisch voorkomen. Maar tijdens momenten van bezinning en die komen meestal met het verstrijken van de jaren, vraagt men zich wel eens af: “wat is de zin” en in mijn en misschien ook in  jouw geval: “heb ik wel altijd zin?”

“Als je geen zin hebt, moet je zin maken,” klinkt de ferme uitspraak, veelal van doorzetters of  mensen die dat graag willen lijken. Ik moet echter zeggen dat dit zin maken mij niet altijd zo best afgaat. Iemand zei eens: “Ik ben niet lui, ik heb alleen gebrek aan motivatie” en is dat niet het toverwoord: motivatie. Levenszin geeft motivatie en energie en beantwoordt de vraag wat de zin van het leven is niet in woorden, maar in daden. Hoe nu levenszin te vinden, is een wat lastige vraag. Ik denk, dat de aard van een persoon veel uitmaakt. Waar de één het hoofd laat hangen, gaat de ander er weer met dubbele energie tegenaan. Toch denk ik dat er veel levenszin is te putten uit prettige sociale factoren, aangename bezigheden, geneugten des levens, het stellen van haalbare doelen, maar vast ook in religie en spiritualiteit.

Levenszin, wat is de zin en zin hebben in, we zullen het allemaal voor onszelf maar toch ook met elkaar moeten vinden. Zo, en dan heb ik nu zin -in een kop koffie.

 


Slap ouwehoeren

 

Soms is het gewoon fijn om eens lekker uit je nek te kletsen. Zoiets kun je niet bij iedereen doen, maar meestal bij mensen die je wat beter kent. Ik kom graag en met regelmaat in mijn stamkroeg, de plek waar bij uitstek van tijd tot tijd gezwetst mag worden; ik stel echter: “Zwets, maar wel met mate.”

Het heerlijk zwammen kent zijn grenzen, hebben de jaren mij laten weten. Vroeger niet. In mijn jonge jaren kon ik er geen genoeg van krijgen en de meesten deden er vrolijk aan mee. Zo deed de verdenking dat mijn kostvrouw niet meer van me hield, omdat ze geen ballen meer in mijn soep deed het altijd goed bij de meeste meisjes. Maar er is inmiddels wat modder door de goot gegaan en die nonchalante houding van “het is allemaal maar een lolletje,” heb ik toch los moeten laten. Ik denk dat het slappe geouwehoer nu meer is overgegaan in ironie, desondanks; ik zwets, maar wel met mate.

Ik geloof dat slap ouwehoeren een functie heeft. Het is in wezen geen nutteloos verschijnsel. Dat milde gezwam werkt in zekere zin ontspannend en zegt je je toch maar niet al te druk te maken over de dagelijkse beslommeringen. Maar het is als gebak, lekker en luchtig echter, krijg je er teveel van dan dreigt men misselijk te worden, vandaar: met mate.

Vroeger had ik een collega die me vertelde dat hij mumzels zag. Ze zaten onder viaducten en hadden allerlei kleuren, ik moest maar eens opletten. Inderdaad ik zag ze ook. Ze waren erg roekeloos en sprongen soms zomaar voor je auto. Die blauwe mumzels met rode ogen kon je niet serieus nemen, die kletsen alleen maar ongelofelijk uit hun nek.

Ik zie tegenwoordig bijna geen mumzels meer. Er zit nog een nest onder de Molenbrug. Die jonge mumzels dartelen en springen vrolijk rond, maar er zit zo’n grijze baardmumzel bij die zijn lach achter de snorharen heeft verstopt. Maar chagerijnig is hij toch niet, als hij zijn baard heeft geknipt kun je nog een lach op zijn lippen zien verschijnen. Zijn roekeloosheid is echter verdwenen; hij springt niet meer zomaar voor je auto.